Wim van den Heuvel Blog

Het congres van de Gerontological Society of America (GSA) trekt meer dan 4000 deelnemers wereldwijd. Terzijde met America wordt de VS bedoeld. Het wordt gehouden in New Orleans, 16-20 november 2016, en heeft als thema ‘nieuwe kijk op veroudering: verandering van attitudes, uitbreiding van mogelijkheden’. Houdingen tegenover en mogelijkheden van ouderen waren in 1974 al congresthema in Nederland. Immers, de veroudering van de bevolking, toen vergrijzing genoemd, wierp zijn schaduw vooruit. Terwijl de zorg voor ouderen werd ingericht (verpleeg- en verzorgingstehuizen), bleef de positie van ouderen in de samenleving marginaal , maar bejaard was toen geen scheldwoord. Ruim twintig jaar geleden werd vergrijzing verzilvering; het marktpotentieel van de straks miljoenen ouderen werd zichtbaar. Maar speciale vakantiereizen en ‘winterverblijven’ voor ouderen waren toen nog geen echte markt, al werden bewoners van een bejaardenoord in 1974 al naar Torremolinos gestuurd vanwege een verbouwing van het oord. Opnieuw is het thema over houdingen jegens ouderen actueel. De gevolgen van de bankencrisis plaatste de donkere schaduw van de vergrijzing weer op de voorgrond. Het is voor velen (inmiddels) niet eenvoudig oud te zijn, al ‘hebben we het nog nooit zo goed gehad’.

Het thema van het GSA congres is ingegeven door bezorgdheid, zo schrijft de president van de GSA. Bezorgdheid om leeftijdsdiscriminatie (ageism) jegens ouderen en gebrek aan productieve betrokkenheid van ouderen. Die bezorgdheid komt voort uit een negatieve houding tegenover ouderen. Ageism en negatieve houding ondermijnen gezond oud worden, ontwikkeling van ‘oud inclusieve’ gemeenschappen en productieve mogelijkheden van ouderen. Soortgelijke geluiden klinken door in nota’s van de Europese Unie en de Wereldgezondheidsorganisatie. Ook deze pleiten voor een actieve plaats van ouderen in de samenleving, ouderen moeten er weer bij gaan horen en participeren. Volwaardig burgerschap.
Participeren is in Nederland o.a. ‘gestimuleerd’ door de pensioenleeftijd te verhogen, maar voor de ouderen heeft het niet veel gebracht. Binnen ‘volwaardig burgerschap’ past het voorstel – zo zou men denken – om geen pensioenleeftijd vast te stellen. Het is aan de burger zelf om vast te stellen wanneer zijn arbeidsleven (zijn productieve bijdrage aan de maatschappij) voltooid is. En als mondig burger kan deze de consequenties daarvan natuurlijk overzien. Is dat niet tevens een goede oefening (of generale repetitie) voor de burger die straks (korte tijd na de pensionering?) kan/moet vast stellen wanneer zijn leven voltooid is?

Maar wij zien ‘ouderen’ toch niet als probleem? Wij, in Nederland, weten wat solidariteit is, toch? Tolerantie zit (bijna) in onze genen of is het onverschilligheid? Voor veel burgers is de voorgespiegelde verlaging of vrijstelling van de pensioenleeftijd verleidelijk, prima toch. Die ‘ouderen’ kunnen dan op tijd genieten van de oude dag, die steeds langer duurt; tot hun leven voltooid is.
De realiteit is anders en hard.
Nederland kent ‘ageism’ en behoeft ‘oud inclusief’. De discussie over de kwaliteit van de ouderenzorg, de idee van een ‘participatiemaatschappij’, het gebrek aan kennis en middelen bij gemeenten en zorginstellingen om voor ouderen te zorgen maken duidelijk dat bezorgdheid terecht is. De bezorgdheid in Nederland wordt alleen maar groter nu de regering voorstelt, dat burgers kunnen (straks moeten?) vast stellen dat ‘hun leven voltooid is’. Nu – met de verkiezingen in aantocht – speelt de discussie over ‘vrije pensioenleeftijd’ weer op en valt (toevallig?) samen met die over voltooid leven.

Het pleidooi voor meer actieve betrokkenheid van ouderen, productieve ouderen, is terecht. Maar wat blijkt: als ouderen (weer) mee moeten/mogen doen is differentiatie nodig. Onderverdeling in subgroepen ouderen maakt duidelijk waar de kansen – voor wie dan ook en voor wat dan ook – liggen. Zo zijn er de ‘jong senioren’, een contradictio in terminis zoals destijds de ‘nieuw ouderen’. Bedrijven richten hun producten op die ouderen, die nog wat moeten of kunnen. Dus zijn er naast ‘jong senioren’ ook ‘gelukkig’, ‘wrevelig’ en ‘vredig’ senioren. De restgroep heet hoogbejaarden; aan de naamgeving te zien valt daar niet veel meer te halen. Zullen die binnenkort als doelgroep voor een ‘voltooid leven’ worden aangemerkt, met vrije keuze natuurlijk?
De markt richt zich op de interessante subgroep. De agro-food industrie werpt zich op de jong senioren en ziet de hoogbejaarden duidelijk niet staan en heeft niet veel op met de wrevelig senior. Jong senior is ‘in’. Foliumzuur wordt aangeprezen als wondermiddel voor jong senioren. Via internet – dat beheersen de jong senioren goed – wordt gesteld, dat gebruik van foliumzuur na drie jaar zorgt voor een ‘verjonging’ van de hersenfunctie van achttien maanden. Vooral het reactievermogen en het aanleren van totaal nieuwe zaken ging veel beter, zegt de website. Maar het heeft nog een grotere impact op het geheugen: een ‘facelift’ van vijf jaar in vergelijking met een controlegroep, volgens dezelfde site. Wat wil de jong senior nog meer?

Dat er van alles aan gedaan wordt om een deel van (aanstaande) ouderen een ander imago te geven, wijst op ageism: ‘bruikbare’ versus ‘niet-bruikbare’ ouderen. Ook het voltooid leven vraagstuk komt voort uit ageism.
Er is alle rede tot bezorgdheid zolang wij niet in staat zijn een inter-generationele samenleving te bouwen, een volwassen samenleving, waar alle mensen een kans krijgen op een vol leven, dat niet voltooid hoeft te worden. Dat wordt een nieuwe samenleving, oud inclusief, niet alleen in Amerika of Europa, wereldwijd. Benieuwd naar wat de gerontologen in New Orleans te zeggen hebben!

Leave a Reply


Required