Wim van den Heuvel Blog

Het is populair in het Nederlandse beleid: inventarisaties over van alles: bodemverontreiniging, kennisvragen, tekorten in de zorg, knelpunten in het verkeer, etc.. Die inventarisaties dienen de basis te vormen voor beleidsdoelen en beleidsmaatregelen. Vroeger of later blijkt – meestal na jaren, als er wordt ‘geevalueerd, hetgeen veelal een uitzondering is – dat het knelpunt nog bestaat en de maatregelen niet werken. De oorzaak hiervan ligt in het begin. De eerste vraag bij een inventarisatie moet zijn: wat is het doel? Gevolgd door: aan welke voorwaarden moet de inventarisatie voldoen om tot bruikbare resultaten te komen? Als het doel niet helder is, is de inventarisatie een lapmiddel om een ‘probleem aan te pakken’.

In het (beslag)recht staat ‘inventarisatie’ omschreven als het verzamelen van gegevens; het (schriftelijk) opnemen van de inboedel, die in een bepaalde ruimte aanwezig is. Het doel is duidelijk: beslag leggen; de inventaris in een middel. Om een inventarisatie zinvol te doen zijn, is een beschrijving van het doel noodzakelijk en een duidelijke omschrijving van het probleem. Een doel als ‘tekorten/wensen/knelpunten’ in kaart brengen is te weinig specifiek. Zonder dat lijkt een inventarisatie op een schot hagel.
Daarnaast dient een inventarisatieplan opgesteld te worden: welke gegevens worden verzameld, wat is daar voor nodig, wie gaat het doen en hoeveel tijd/geld gaat dat kosten.

Inventarisaties zijn meer – of beter gezegd – moeten meer zijn dan een lijstje van ideeen, onderwerpen, goederen, klachten e.d. Zonder doelstelling (omschrijving en afbakening) en plan krijgen inventarisaties het karakter van ‘roept u maar’. De laatste jaren heb ik menig bijeenkomst mogen bijwonen, die tot keurige lijstjes hebben geleid van risicogebieden, kennisagenda’s, thema’s, innovaties e.d.. Lijstjes van wat er staat, wat men mist of wat men vindt. En daar gaat het beleid mee aan de slag!?

Wil het waardevol zijn, dan is een waardering nodig: wat is dat lijstje waard? Een grondige analyse is nodig door een taxateur, een expert, gebaseerd op de ‘probleemstelling’ (die dus ontbreekt). Zonder die waardering is ‘roept u maar’ even waardevol als een wetenschappelijke bevinding. Dit lijkt de praktijk en dus kan men horen ‘wetenschap is ook maar een mening’.

In het recht vindt een inventarisatie plaats door een taxateur, gebaseerd op een wel omschreven probleem: faillisement, erfenis, patent aanvrage. De huidige inventarisaties – veelal geinitieerd vanuit het beleid – lijken gebaseerd op het feit, dat men met de handen in het haar zit. Als men problemen heeft met het stijgende aantal mensen, dat langdurige zorg nodig heeft, dan wordt niet geanalyseerd, waardoor de problemen zijn ontstaan en er wordt niet geprecieseerd wat die problemen zijn. Er wordt geinvesteerd in proeftuinen zonder dat er enige garantie is dat die een oplossing dichterbij brengen. Die oplossing komt niet dichter bij, omdat iedere proeftuin een eigen definitie van het probleem heeft en dus ook zoekt naar een eigen oplossing. Van de proeftuinen, die ook in de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn gestimuleerd, zou men kunnen leren hoe het niet moet. Maar dat waren andere tijden! Proeftuinen dekken het probleem toe en daarmee is het – nu even – opgelost?

Aanbevelingen op basis van zulke inventarisaties zijn voorspelbaar: uitwisseling, afstemming, coordinatie, eventueel ‘experimenteer ruimte’. Het ‘probleem’ wordt daarmee ingesnoerd, maar niet opgelost. De volgende maatregelen zijn voorspelbaar: overlegstructuren, registraties, nieuwe aansturingen. De gevolgen ook: toename van de ‘coordinatiekosten’ en wachtlijsten (zie jeugdzorg, zie verpleging). Moeten we die eerst niet inventariseren?

Leave a Reply


Required